Genealogie Bouwes

Biografie

I Jan Beerents



Jan Beerents en Nieltje Bouwes zijn waarschijnlijk de ouders van Bouwe Jans. Op grond van een gezinsreconstructie valt dit af te leiden. Jan huwde omstreeks 1720 in Oude Pekela met Nieltje Bouwes. Jan is overleden vóór 1748 in Oude Pekela. Jan wordt namelijk genoemd in een document uit 1748, zijnde [Nieuwe Pekel A 28.02.1748] Pieter Hinders Dasse en Pietertje Roelefs, Ehel., kopen van Nieltje Bouwes, wed. Jan Berents, voor de somma van f 250 een huisje op stadsgrond ter PekelA. [Pietertje Roelefs kan haar naam niet schrijven].

Uit het huwelijk worden 6 kinderen geboren, te weten Beerent (1722), Bouwe (~1724 - >1781), Jacob (1729), Anna (1732), Jantje (1736) en Fokjen (~1726).

Beerent Jans

Beerent Jans wordt gedoopt op 6 april 1772 in Oude Pekela. Als vader en moeder worden genoemd Jan Beerents en Nieltje Boees. Beerent is overleden op 11 oktober 1746 in Rocourt, België, 24 jaar oud. Beerent trouwde, 22 jaar oud, op 25 februari 1745 in Oude Pekela met Aaltjen Detmers. Aaltjen is geboren in Langen, Westfalen.

Beerent is vermoedelijk de eerste zoon van Jan en Nieltje. Op grond van de vernoemingsregels is hij vernoemd naar de vader van zijn vader. Als jongeling gaat hij rond 1745 in dienst bij het Staatse leger. Met het Staatse leger levert Beerent strijd in de slag bij Rocourt. De slag bij Rocourt vond plaats op 11 oktober 1746 ten tijde van de Oostenrijkse successieoorlog. Het was een van de grootste veldslagen van de 18e eeuw met in totaal ongeveer 200.000 manschappen tegenover elkaar. Beerent vocht als soldaat onder generaal-majoor Veldman. Tijdens deze slag verloren beide strijdende partijen ongeveer 5000 man. Aan geallieerde zijde waren dat vooral Nederlanders, Britten en Hannoveranen. Beerent komt ook om bij deze slag.


Fokjen Jans

Fokjen wordt geboren omstreeks 1726 in Oude Pekela. Fokjen trouwde op 9 oktober 1746 in Oude Pekela met Jan Berents Brants, ongeveer 23 jaar oud. Jan is geboren omstreeks 1723 in Oude Pekela. Jan is overleden op 7 mei 1806 in Oude Pekela, ongeveer 83 jaar oud.

Uit het huwelijk worden 5 kinderen geboren, te weten Berendina (1748), Jan (1750), Berent (1753), Tamke (1754) en Janna (1761). Berendina en Berent zijn als dochter en zoon waarschijnlijk vernoemd naar de overleden broer Beerent Jans.

IIb Bouwe Jans


Over Bouwe Jans is niet veel bekend. We weten niet zeker waar hij is geboren. Op grond van de vernoemingsregels zou zijn moeder vermoedelijk Tamke moeten heten. Echter, de combinate Jan, Tamke en Bouwe is niet te vinden in de archieven. Het blijft dus gissen. Wel is met zekerheid te zeggen dat Bouwe Jans waarschijnlijk na 1781 en voor 1823 is overleden te Groningen. Dit volgt uit de gegevens van het overlijden van zijn zoon Berend en zijn vrouw Lubbegijn.

Bouwe trouwde, 20 jaar oud, op 18 januari 1756 in Oude Pekela met Lubbegijn Jans, 22 jaar oud. Lubbegijn is de dochter van Jan Everts en Anna Foppes. Zij is geboren in Oude Pekela en gedoopt op 3 mei 1733 in Oude Pekela. Lubbegijn is overleden op 19 augustus 1781 in Groningen, 48 jaar oud.

Deze gegevens volgen uit het Register van de opbrengsten uit de verhuur van lijklakens uit de A kerk, Kerkelijke gemeente te Groningen. De opbrengst leverde op 1 gulden en 4 stuivers voor het laken. Lubbegijn is begraven te Groningen.

Uit het huwelijk worden 9 kinderen geboren, te weten IJanna (1756-1760), Jan (1759-1804), Janna (1761-<1769), Tamke (1763-<1767), Pieterjen (1766-?), Tamke (1767-?), Janna (1769-<1771), Janna (1771-?) en Berend (1775-1823).

Bouwe Jans is schipper te Oude Pekela. In 1756 woont het paar ook in Oude Pekela. Aldaar worden de eerste 6 kinderen geboren. Het gezin is in tussen 1767 en 1769 naar Groningen verhuisd. Hoe het, behalve Jan, Pietertjen en Berend, de rest van de kinderen is vergaan, is niet precies na te gaan. Zeker is wel dat Boewe en Lubbegijn met Jan en Pietertjen tussen 1767 en 1769 naar Groningen zijn verhuisd. Het gezin woonde aan het Tichelwerk.

Pietertjen Bouwes

Pietertjen trouwt te Groningen op 25 juli 1802 met Jan Hendrik Blom. Jan Hendrik Blom is afkomstig van Amsterdam. Waarschijnlijk is Jan een schipper. Het huwelijk wordt overigens niet in de kerk gesloten, maar door de plaatselijke overheid. Die wordt in de Bataafs-Franse tijd de Municipaliteit genoemd. Dat min of meer democratisch gekozen college is, zoals vroeger de door regenten bemande Schepenbank, verantwoordelijk voor het bestuur van de gemeente, voor de lage rechtspraak en het notariaat. Zodoende staat in de registers vermeld: “Gecopuleerd op 't Raadhuis door gecommitteerden uit de Municipaliteit op zondag den 25 july 1802.” Als getuige treedt op haar broer, Berend Boëes.

Opvallend is dat de naam van Pietertjen in het ondertrouwboek van Groningen als “Boëes” wordt gespeld en als “Bois” in het trouwboek van Groningen. Na het huwelijk vertrekt het stel naar Amsterdam. Aldaar wordt op 4 juni 1803 geboren Hendrik. Hendrik wordt op 5 juni 1803 gedoopt. Op 9 april 1805 wordt Jan geboren. Jan wordt op 14 april 1805 gedoopt. De derde zoon wordt op 23 januari 1808 geboren en op 27 januari 1808 gedoopt. Alle drie de kinderen worden in de Lutherse kerk te Amsterdam gedoopt. Deze kerk bevindt zich aan de Singel411/hoek Spui. Bij Barend zijn als getuige aanwezig Grietje Jonkhof en Barend Bouwers (Berend Bouwes). De pastor is Christian Heinrich Ebersbach. Barend overlijdt echter al in september 1808 en wordt op 7 september 1808 begraven.

Berend Bouwe(s)

De jongste zoon, Berend, wordt in april 1775 geboren in Groningen op het Tichelwerk en op 23 april 1775 gedoopt in de Martini Kerk te Groningen. Berend is vernoemd naar de overleden broer van Bouwe. Ook Berend heeft zeemansbloed door de aderen stromen. Blijkens zijn overlijdensakte is Berend zeeman, ongehuwd en in Dordrecht overleden. Opvallend is dat hij is gedomiliceerd te Groningen. Blijkbaar was Groningen nog steeds zijn woonplaats maar bevond hij zich op dat moment in Dordrecht. Derhalve is zowel in Dordrecht als in Groningen een overlijdensakte opgemaakt.

De overlijdensakte geeft nog een exacte overlijdensplaats; Berend is overleden op nummer D107 aan de Vuilpoort. "Aan de Vuilpoort" wilde zeggen: op de Voorstraat, helemaal aan het eind, daar waar de Vuilpoort stond. Lang nadat hij was afgebroken spraken Dordtenaren nog steeds in die zin over de locatie zelfs nog in de jaren '50 en '60. Buiten de Vuilpoort betekende de Prinsenstraat. De woning bevond zich aldus tussen de Vuilpoort en de Leuvenbrug.

IIIa Jan Bouwes


Jan Bouwes, zoon van Bouwe Jans en Lubbegijn Jans. Jan is gedoopt op 26 augustus 1759 in Oude Pekela. Jan is overleden op woensdag 21 maart 1804 in Groningen, 44 jaar oud. Jan is begraven te Groningen op maandag 26 maart 1804. Jan trouwde, 29 jaar oud, op 26 mei 1789 in Groningen met Grietje Geerts Jonkhoff, 25 jaar oud. Grietje is een dochter van Geert Roelfs Jonkhoff en Elisabeth Andries Hindriks. Zij is geboren te Groningen aan het Zuiderdiep en gedoopt op 24 juli 1763 in de A-Kerk te Groningen. Grietje is overleden op 22 november 1854 om 16:00 in Appingedam, 91 jaar oud (oorzaak: Korte ongesteldheid). Van het overlijden is aangifte gedaan op 24 november 1854. Grietje hertrouwde op 09 april 1809 in Groningen met Jan Lamberts (1767-1840), zoon van Lambert Lamberts.

Uit het eerste huwelijk worden 5 kinderen geboren, te weten Boewe Jans (1790-1828), Geert Jans (1792-1812), Berend Jans (1795-1851), Andries Jans (1797-vóór 1800) en Andries Jans (1800-1894).

Jan wordt geboren te Oude Pekela en is het tweede kind van Bouwe Jans en Lubbegijn Jans. Jan wordt op 26 augustus 1759 gedoopt in de kerk van de Beneden Pekela Aa. Gebruikelijk is dat kinderen vlak na de geboorte worden gedoopt. Zeker is dan ook dat Jan in augustus 1759 is geboren. Oude Pekela is op dat moment een turfkolonie. De stad Groningen heeft sinds de ontginning van het turf steeds meer invloed verworven op het ontginnen. De turf was een waardevolle brandstof welke vooral naar de stad Groningen en de Duitse kuststeden werd vervoerd. Jan was, net als zijn vader, schipper.

Als Jan 29 jaar is, trouwt hij in Groningen met Grietje Geerts Jonkhoff. De huwelijksakte vermeldt: "MK 1e en 2e gebod. Jan Bouwes van de Beneden Pekel Aa en Grietje Geerts Jonkhof van Groningen pro qua Jocheim Lofvers als Neev. Cop: den 26 maij 1789, voor Dominus van Berchuys, in Martini Kerk."

Als schipper zeilt Jan regelmatig op het buitenland. Zo blijkt uit de Scheepstydingen uit onder meer de Groninger Courant dat Jan op de navolgende data is gezeild:

-Op 6 juli 1794 zeilt Jan Groningen binnen.
-Op 5 mei 1796 komt Jan van Koningsbergen (Kaliningrad, Rusland).
-Op 27 juni 1796 passeert Jan de Sont. De Sont is een van de drie zeestraten die het Kattegat (en daarmee de Noordzee) verbindt met de Oostzee. Er was ook een levendige handel richting Rusland.
-Op 22 mei 1799 zeilt Jan van Noorwegen.
-Op 4 juli 1800 zeilt Jan naar Amsterdam.
-“Op 16 October 1802 zyn door het Holfteinfche Canaal gepasseert de schipper Jan Bouwes, van Groningen is gezeilt”.
-Op 30 oktober 1802 arriveert Jan Bouwes in Groningen.
-Op 3 november 1803 arriveert Jan van Dantzig. Dit zal zijn laatste zeereis zijn. Jan overlijdt namelijk in maart 1804 op 44 jarige leeftijd.

Jan is begraven op woensdag 21 maart 1804. Sprake was van een Breukdode. Dit kostte 6 gulden. Breukdoden zijn personen die te laat (i.c. na 11.30 uur) begraven zijn; het Breukdodenboek is samengesteld uit de ontvangstboeken der diaconie. De in het boek genoemde data zijn niet die van overlijden of begraven, doch de betalingsdatum van de breuk, het verschuldigde bedrag wegens het begraven na half twaalf. De betalingsdatum verschilt 1 tot 14 dagen met die van het overlijden. (Bron: CBG: Toelichting op de Doop-, Trouw-, Begraaf- en lidmatenregisters Groningen). De dodencollecte op vrijdag 26 maart bracht op 7 guldens, 1 stuiver en 5 cent (Collecten bij begrafenissen, Kerkelijke gemeente – Groningen).

Na het overlijden van Jan Bouwes hertrouwt Grietje met Jan Lamberts, ongeveer 42 jaar oud, op 9 april 1809 in Groningen met Grietje Geerts Jonkhoff, 45 jaar oud, nadat zij op 1 april 1809 in Groningen in ondertrouw zijn gegaan. Jan Lamberts is geboren na half juli 1767 in Veldhausen, Graafschap Bentheim, Koninkrijk Hannover, Duitsland, zoon van Lambert Lamberts en een onbekende moeder. Jan is overleden op 13 juli 1840 om 10:00 in Aalsum (Oostdongeradeel) aldaar in het huis met nummer 71. Blijkens de overlijdensakte is Jan bijna 73 jaar oud geworden en woonde hij in Surhuisterveen. Van het overlijden is aangifte gedaan op 15 juli 1840.

Jan is een van de vele migranten die vanuit het graafschap Bentheim naar Groningen is getrokken. Hij is ingekomen als student te Groningen op 15 september 1803. Hij is in 1806 te Dokkum onder het getal der Friese Proponenten opgenomen. Oorspronkelijk was de proponent een man die getoetst werd of hij geschikt was om predikant te worden in de gereformeerde (Nederlands Hervormde) kerk. In principe had een proponent aan een universiteit theologie gestudeerd. Een student werd proponent door met goed gevolg een examen in een classis, een regionaal kerkbestuur, af te leggen. Dit was het praeparatoir (voorbereidend) examen. In de zeventiende en achttiende eeuw moest hij om toegang hiertoe te krijgen testimonia, academische getuigschriften, van zijn professoren overleggen. In de negentiende en twintigste eeuw diende hij het kandidaatsexamen afgelegd te hebben.

Aldus werd Jan in 1809 candidaat en beroepen te Meethuizen; van 30 april 1809 tot 30 november 1821. Van 25 november 1821 tot 11 november 1827 is Jan beroepen te Wons. Ten aanzien van de beroeping naar Wons en Engwier bestaat een akte. Uit de akte blijkt dat Zijne Majesteit op 4 oktober 1821 heeft toegestaan, overeenkomstig een verzoek van 3 oktober 1821, dat Jan naar Wons en Engwier zal worden beroepen. Op dat moment is Jan nog predikant te Meethuizen, classis Appingedam. Het gezin verhuist telkenmale mee.

Van 18 november 1827 tot 13 juli 1840 is Jan predikant te Surhuisterveen. Voor Surhuisterveen stond hij te Garijp, Suameer en Eernewoude. In Meethuizen heeft hij Grietje leren kennen. Met name met Andries zal Jan een goede band hebben gehad. Jan zal voor zijn stiefzonen Berend en Andries feitelijk bezien een vader geweest omdat beiden zeer jong waren toen hun biologische vader overleed. Jan en Grietje wonen vanaf 1809 dan ook in Meethuizen. Hier is Grietje in de zomer van 1810 met attestatie van Groningen gekomen.

Grietje wordt genoemd; "1810 den 22 van zomerm: (…) Ook in deze maand heeft Grietje Lamberts, geboren Jonkhof, attestatie van haar lidmaatschap hier ingebragt, uit Groningen" (http://www.menneglas.nl/ledematen/Meedhuizen.htm).

Over het overlijden van Jan Lamberts is bekend dat hij zeer plotseling is overleden als gevolg van een hevige koorts. Jan verbleef bij zijn voorganger en vriend, ds. Jan Douwes, predikant te Aalsum. Jan begaf zich na zijn dienst richting de woning van Douwes. Douwes woonde in het huis nummer 71. Grietje en haar twee kinderen Berend en Andries blijven achter. Na het gratiejaar is Grietje met een attestatie vandaar vertrokken naar Appingedam. De attestatie is op 6 november 1841 afgegeven.

IVa Boewe Jans Bouwes



Boewe Jans Bouwes (Boewes), zoon van Jan Bouwes en Grietje Geerts Jonkhoff. Hij is geboren in Groningen achter de Noorderkuipen en op 26 november 1790 gedoopt in de Martinikerk in Groningen. Boewe is overleden, 37 jaar oud (oorzaak: Schipbreuk). Van het overlijden is aangifte gedaan. Hij is als vermist opgegeven op 30 maart 1828 op de Zuiderzee.

Boewe trouwde, 33 jaar oud, op 11 januari 1823 in Wons met Akke Ottes Reinsma, 23 jaar oud. Akke is geboren op 9 november 1799 in Wons, dochter van Otte Klazes Reinsma en Heerkjen Sikkes de Vries. Zij is gedoopt op 1 december 1799 in Wons/Aengwier. Akke is overleden op 7 december 1833 om 18:00 in Makkum, 34 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 8 december 1833.

Uit het huwelijk worden drie kinderen geboren, te weten: Jan Boewes Bouwes (10 november 1823-16 december 1823), Herkjen Bouwes Bouwes (1825-1888) en Grietje Bouwes Bouwes (1828-1858).

Als Boewe 24 is, wordt hij ingeschreven voor de Nationale Militie. Het is dan 1814. Uit de gegevens blijkt dat Boewe dan in Delfzijl woont. Boewe loot nummer 464, welk nummer hem tot dan toe (nog) niet verplicht actief in dienst te zijn. De akte is afgegeven op 23 december 1822 en Boewe is blijkens deze akte zeevaarder. Ook zijn uiterlijke kenmerken zijn opgenomen. Het is jammer dat er geen lengtematen staan vermeld maar er kan gevoegelijk van worden uitgegaan dat hij rond de 1.60 meter is geweest. Zijn broer Andries was namelijk ook 1.60.

Boewe heeft de volgende uiterlijke kenmerken: Lengte: -, Aangezigt: breed, Voorhoofd: plat, Ogen: blauw, Neus: groot, Mond: ordinair, Kin: breed, Haar: donker bruin, Wenkbrauwen: idem Merkbare tekeningen: geen. Omdat zijn stiefvader predikant is, leid de familie een min of meer "zwervend" bestaan. Jan Lamberts wordt in 1821 naar Wons en Engwier beroepen alwaar het gezin zich vestigde. Boewe leert aldaar Akke Ottes Reinsma kennen en trouwt met haar te Wons op 11 januari 1823. Boewe is nog altijd zeeman. Uit de huwelijksakte blijkt nog dat de moeder van Boewe, Grietje, toestemming verleent voor het voorgenomen huwelijk. Grietje is het enige, nog in leven zijnde directe familielid. De vader en grootouders van Boewe zijn inmiddels overleden.

Ook de ouders en grootouders van Akke Ottes Reinsma zijn dan al overleden. Jan, het eerste kind van Boewe en Akke wordt op 10 november 1828 geboren. Boewe doet zelf aangifte van de geboorte en tekent met "B:J:Bouwes". Boewe is blijkens de akte varensgezel. Jan overlijdt na reeds een maand. Kindersterfte was in die tijd een veel voorkomend gebeuren. Van het overlijden doet Boewe ook zelf aangifte.

Inmiddels heeft Boewe dan zijn eigen schip genaamd, "de goede intentie", voor welk schip hij op 28 september 1824 een zeebrief verkrijgt. Het schip, binnenlands gebouwd, ligt dan te Harlingen. Op 27 januari 1825 wordt zijn tweede kind en eerste dochter, genaamd Herkjen, geboren. Boewe doet hiervan geen aangifte omdat hij op zee is. De tweede dochter wordt op 20 maart 1828 geboren. Zij heet Grietje en Boewe heeft blijkens de geboorteakte nog aangifte gedaan van de geboorte. Het zal zijn laatste handeling zijn want kort na de geboorte is Boewe op de Zuiderzee alwaar hij op 30 maart 1828 schipbreuk leidt. Men vermoedt dat hij overboord is geslagen en is verdronken toen hij op weg was naar Amsterdam. Akke overlijdt zeer kort daarna, waardoor Herkjen en Grietje wezen worden. Boewe zijn jongste broer Andries zal door de rechter als voogd worden benoemd.

Geert Jans Bouwes


Geert Jans Bouwes, zoon van Jan Bouwes en Grietje Geerts Jonkhoff. Hij is gedoopt op 19 oktober 1792 in Groningen, Martini Kerk. Geert was in dienst bij het Bataafse leger en nam op 24 juni 1812 deel aan de veltocht tegen Rusland. Op de terugtocht uit Moskou, op 26 november 1812, legde het Franse leger 2 bruggen aan over de Berezina.

Door de bruggen kunnen Napoleon en de restanten van de Grande Armée ontsnappen na de mislukte veldtocht tegen Rusland. Vijftienduizend Nederlandse militairen namen aan deze veldtocht deel. Slechts enkele honderden keerden heelhuids terug. Geert Jans sneuvelt tijdens deze veldtocht.

Berend Jans Bouwes



Berend Jans Bouwes, zoon van Jan Bouwes en Grietje Geerts Jonkhoff. Hij is geboren in Groningen aan de Mussengang en op 20 april 1795 gedoopt in de Martinikerk te Groningen. Berend is overleden op 7 maart 1851 om 22:00 in Solwerd, 55 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 10 maart 1851. Berend trouwde, 26 jaar oud, op 9 november 1821 in Delfzijl met Hilje Klaassens Spithorst, 20 jaar oud. Hilje is geboren op 18 april1801 in Solwerd, dochter van Klaas Jans Spithorst en Aalke Meinderts Wierdeman. Hilje is overleden op 2 mei 1851 om 20:30 in Solwerd, 50 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 3 mei 1851.

Uit het huwelijk worden maar liefts 11 kinderen geboren. Berend wordt uiteindelijk grootvader van maar liefts 28 kleinkinderen. Ondanks deze enorme hoeveelheid nakomelingen is de Groningse tak inmiddels uitgestorven.

Berend woont samen met Boewe en Andries te Delfzijl. Zijn stiefvader is immers predikant. Berend ontmoet aldaar Hilje Klaassens Spithorst. Hij trouwt met haar te Delfzijl. Deze tak zal t.z.t verder worden uitgewerkt.

IVc Andries Jans Bouwes



Andries Jans Bouwes, zoon van Jan Bouwes en Grietje Geerts Jonkhoff. Hij op 21 december 1800 geboren te Groningen in de Nieuwe Kijk in 't Jatstraat. Andries is op 25 december 1800 gedoopt in de Nieuwe Kerk in Groningen. Andries is overleden op 11 augustus 1894 om 15:00 in Eastermar, 93 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 13 augustus 1894. Hij is begraven te Eastermar. Andries trouwde, 27 jaar oud, op 18 oktober 1828 in Achtkarspelen met Ybeltje Alberts van Bruggen, 23 jaar oud. Ybeltje is geboren op 5 september 1805 in Surhuisterveen, dochter van Albert Wytses van Bruggen en Willemke Dircks van der Schors. Van de geboorte is aangifte gedaan op 5 september 1805. Zij is gedoopt op 29 september 1805 in Surhuisterveen. Ybeltje is overleden op 10 januari 1856 om 13:00 in Eastermar, 50 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 11 januari 1856. Zij is begraven te Eastermar.

Uit het huwelijk worden 5 kinderen geboren, te weten Jan Lamberts Andrieszoon (1829-1878), Willemke Andries (1832-1897), Albert Andries (1841-1909), Grietje Andries (1844-1907) en Wytske Andries (1848-1848 [21 dagen]).

Na het overlijden van vader Jan wonen Andries en zijn broer Bouwe een tijd met hun moeder in Meethuizen. Grietje heeft inmiddels een nieuwe man leren kennen, te weten Jan Lamberts. Jan is van 1821 tot 1827 predikant van de hervormde gemeente Meethuizen. Dat Andries zeker tot zijn 18e jaar in Meethuizen heeft gewoond, blijkt uit de registers van de Nationale Militie. Destijds diende elke man van 18 zich in te schrijven voor de Nationale Militie. Uit de gegevens van 1819 blijkt dat hij het nummer 43 heeft geloot, "hetwelk hem tot heden, niet opgeroepen zijnde, hem tot geenen dienst heeft verpligt".

Uit de akte kan een goed beeld worden geven van Andries. Zijn lengte is 1 El 6 Pm (1.60mtr), het aangezicht is plat, het voorhoofd is rond, de ogen zijn blauw, zijn neus is ordinair, de mond idem, zijn kin is spits, het haar is lichtbruin, de wenkbrauwen zijn bruin. Voor het overige heeft hij geen Merkbare tekeningen."

Nadat de vader van Andries is overleden, hertrouwt Grietje in 1809 te Groningen met Jan Lamberts. Jan is van 1821 tot 1827 predikant te Meethuizen en Clasis Appingedam. In 1827 vertrekt Jan naar Surhuisterveen teneinde daar predikant van de hervormde gemeente te Surhuisterveen te worden. Jan, Grietje en Andries verhuizen alsdan naar Surhuisterveen. In Surhuisterveen heeft Andries al gauw kennis aan een jongedame, genaamd Ybeltje Alberts van Bruggen. Zij kennen elkaar waarschijnlijk uit de hervormde gemeente. Andries treedt met Ybeltje op 18 oktober 1828 in het huwelijk ten overstaan van de Grietman Officier van de Burgerlijke Stand der Grietenij Achtkarspelen. Zowel Grietje als Jan zijn aanwezig en geven hun toestemming voor het huwelijk. Uit de huwelijksakte blijkt dat Andries koopman is en Ybeltje zonder beroep. Getuige voor de bruidegom is Jan (tekent Jan Lamberts). Andries tekent met A.J. Boewes.

Ongeveer 11 maanden later, op 1 september 1829, wordt te Surhuisterveen de eerste zoon geboren. Hij wordt genoemd Jan Lamberts Andrieszoon. Gebruikelijk is dat de vernoemingsregels worden toegepast.De vernoemingsregels vereisen in dit geval dat de eerste zoon naar de vader van Andries wordt vernoemd. Jan is kennelijk vernoemd naar zijn vader én zijn stiefvader. De aangifte wordt door Andries ondertekend met A:J:Bouwes.

Per 12 mei 1832 kan Andries vallaatsman (sluiswachter) worden te Reaskuorre (Roodeschuur). Roodeschuur is een gehucht onder Augustinusga en is vrijwel direct na de aanleg van de Nieuwe Surhuisterveenstervaart in 1649 ontstaan. In de vaart werd een sluisje aangelegd voor de waterbeheersing. Hier moesten de turfschippers worden geschut voordat ze het Kolonelsdiep (sinds 1945 Prinses Margrietkanaal) konden bereiken. Bij dit verlaat werd al snel een herberg gebouwd welke tegelijkertijd ook dienst deed als sluiswachterhuis en winkel. In 1881 werden een nieuwe sluis en sluiswachterhuis gebouwd. In 1830 zijn de verhuurders Sape Takes Teekens, Tye Johannes van der Laan, Klaas Oebeles Sipma en Rindert Jans Hulshoff, in kwaliteit als gecommiteerde over de zogenaamde Rode Schuur, Vallaat (een kleine schutsluis in een kanaal) en vaart.

Uit de huurakte blijkt dat Andries al onder Surhuisterveen woont. De huurovereenkomst wordt op 18 december 1830 getekend en geeft een zeer gedetailleerd beeld van de werkzaamheden welke Andries dient te verrichten. Zo dient Andries te allen tijde een grote hoeveelheid turfmot beschikbaar te hebben teneinde het vallaat te motten. Het tweede kind en de eerste dochter wordt geboren op 11 april 1832, genaamd Willemke Andries. Ook hier zijn de vernoemingsregels consequent toegepast. Immers, de moeder van Ybeltje heette Willemke Durks van der Schors. Als beroep geeft Andries op "Koopman". Andries tekent de aangifte met A.J. Bouwes. Getuigen zijn Ridsert Admiraal, Schatter van slachtvee en Lammert Jans Postma, landbouwer, beiden te Surhuisterveen.

Op 12 december 1833 neemt hij de voogdij op zich van zijn nichtjes Herkjen (9) en Grietje (6), de minderjarige dochters van zijn als vermist opgegeven en vermoedelijk overleden broer Boewe Jans Bouwes. Boewe Jans was schuitevaarder en is waarschijnlijk overboord geslagen en verdronken op de Zuiderzee toen hij op weg was naar Amsterdam. Na het overlijden van zijn schoonzuster Akke Ottes Reinsma op 7 december 1833 wordt hem de voogdij toegewezen. Naast Andries is een aantal familieleden en goede vrienden van Bouwe en Akke aanwezig. Namens Bouwe verschijnen als vrienden bij het Kanton te Bolsward Wiebe Martens Tilstra, boer te Wons, Hette Hayes Elgersma, boer te Schraard en Jan Hayes Elgersma, boer te Wons. Namens Akke verschijnen Cornelis Nammens Kamstra, boer te Wons als behuwd oom, Dirk Ottes Reinsma, boer te Wons en oom, Harm Dirks van der (onleesbaar), boer te Wons als goede vriend. Zij zijn bijeen op verzoek van Andries Jans Bouwes (koopman te Augustinusga) teneinde in zijn kwaliteit als benoemd voogd over de minderjarige kinderen te houden een familieraad, strekkende waartoe de erfenis van de overleden ouders te aanvaarden. De rechter verleent alsdan autorisatie de boedel te aanvaarden namens de overledenen. Het gezin woont zeker tot mei 1835 in Augustinusga. Dit blijkt uit een notariële akte, verleden op 9 mei 1835. Derhalve zal het gezin na 9 mei 1835 naar Oostermeer zijn vertrokken. Dat Andries het contract heeft uitgediend is wel zeker. Andries wordt in december 1835 genoemd als kastelein te Oostermeer terwijl het contract te Augustinusga van rechtswege afloopt op 12 mei 1836.

Het derde kind en de tweede zoon wordt op 20 juni 1841 geboren te Oostermeer. Volgens de vernoemingsregels dient de tweede zoon te worden vernoemd naar de vader van Ybeltje. De vader van Ybeltje heet Albert. Wederom worden de vernoemingsregels correct toegepast. Blijkens de Staat der dubbelden van Uitvoer Billetten van Wijn en Sterkedrank ingekomen bij het Bestuur van Tietjerksteradeel over de maand Augustus 1841 blijkt dat Andries op 13 augustus 1841 van de weduwe Appelhof te Leeuwarden heeft gekocht 40 kannen inlands gedistilleerd. Voorts koopt hij op 13 augustus 1841 van J.J. Faber te rottevalle 40 kannen inlands gedistilleerd. Dat Andries in Oostermeer wil blijven wonen, blijkt uit het feit dat hij op 2 april 1842 voor 8 gulden zes graven koopt. De koop wordt bij notariële akte gesloten.

In Oostermeer worden nog twee dochters geboren, te weten Grietje en Wijtske. Grietje wordt geboren op 19 maart 1844 en Wijtske wordt geboren op 2 juni 1848 doch overlijdt op 23 juni 1848. Grietje wordt als tweede dochter vernoemd naar de moeder van Andries. Wijtske wordt als derde dochter vernoemd naar de oudste zus van de moeder van Andries. Beide keren geeft Andries als beroep op Koopman. Getuigen bij Grietje zijn Rijpke Tjerks Atsma en Oebele Andries van der Veer. Bij Wijtske verschijnen als getuigen Oebeles Andries van der Veer en Pieter Wadman. Bij het overlijden van Wijtske zijn de getuigen Oene Jans Nieuwenhuis en Andries Sjoerds van der Veer. Andries zijn dochter Willemke trouwt op 10 januari 1855 te Tietjerkstreradeel met Jan Cornelis Kramer. De ouders van Jan geven toestemming voor het huwelijk. Namens Willemke zijn Andries en Ybeltje aanwezige en geven toestemming voor het huwelijk. Voorts tekent als getuige haar broer Jan. Andries is lidmaat van de Hervormde Kerk te Oostermeer. Andries is ook Administrerend Diaken van de Hervormde Gemeente. In deze hoedanigheid verwerft de Hervormde Kerk op 12 oktober 1841 een huis met erf gequoteerd nummer 114 staande en gelegen op het Hoogzand te Oostermeer. Kadastraal bekend Oostermeer, Sectie H, nummer 235 en 236, groot dertien roede en twintig el. Ook de buren zijn bekend. Ten oosten Douwe Adzers de Vries, ten zuiden Harmen Willems Wielinga en Rapke Sytzes Weima, ten westen de weduwe van Jonas Oedzes Veenstra en ten noorden den weg welke nog voor de gehele breedte bij het gekochte behoort voor zooverre daar tevens strekt en alzoo onderhouden moet worden. terwijl de tragen om hetzelve staande met de naastlegers massal zijn, zijnde het gekochte bezwaard met een jaarlijkse grondpacht van 60 cents aan de Kerkvoogdij van Oostermeer, vrij van floreen.

Mede door zijn inzet verkrijgt de Hervormde Kerk te Oostermeer een Plaatselijk Reglement op het beheer der Kerkelijke goederen en fondsen den Hervormde Gemeente van Oostermeer. Het reglement wordt opgesteld in de constitutiekamer der Hervormde Gemeente Oostermeer.

Vj Jan Lammerts Andrieszoon Bouwes



Jan Lamberts Andrieszoon Bouwes is geboren op 31 augustus 1829 om 20:00 in Surhuisterveen, zoon van Andries Jans Bouwes (Boewes) en Ybeltje Alberts van Bruggen. Van de geboorte is aangifte gedaan op 1 september 1829. Jan is overleden op 26 juni 1878 om 19:00 in Eastermar, 48 jaar oud (oorzaak: hitte). Van het overlijden is aangifte gedaan op 27 juni 1878. Hij is begraven in Roordahuizum kerk. Jan trouwde, 24 jaar oud, op 25 mei 1854 in Grouw met Feikjen Herres Wartena, 22 jaar oud. De scheiding werd geregistreerd op 27 maart 1877 in Leeuwarden (Scheiding van tafel en bed). Feikjen is geboren op 14 november 1831 in Roordahuizem, dochter van Herre Aukes Wartena en Sietske Wijtzes van der Sluis. Van de geboorte is aangifte gedaan op 15 november 1831. Feikjen is overleden op 22 september 1912 in Idaard, 80 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 24 september 1912. Zij is begraven in Roordahuizum kerk.

Uit het huwelijk worden vier kinderen geboren, te weten Sietske Jans (1858-1929), Ybeltje Jans (1861-1864), Ybeltje Jans (1865-1943) en Andries Jans (1871-1872).

Jan groeit op in Oostermeer. Zijn kerkelijke gezindheid is Nederlands Hervormd. Nadat Jan 18 jaar is geworden moet hij ingevolge de Nationale Militie in dienst. Kennelijk wil Jan dit niet en stemt zijn vader daar mee in. Andries is bereid hier een klein kapitaal te betalen. Hiertoe wordt op 27 april 1848 een contract van plaatsvervanging getekend. Egbert Jacobus Mans te Oostermeer is de contractuele plaatsvervanger. De kosten van plaatsvervanging bedragen 400 gulden. Daarbij is voorts overeengekomen dat voor elk jaar in actieve dienst, Egbert 100 gulden ontvangt tot een maximum van 600 gulden. De kosten voor het opstellen van het contract bedragen 25 gulden. Het contract gaat in op 1 mei 1848.

Indien dit bedrag wordt omgerekend naar euro's heeft het navolgende te gelden. Sinds 1900 is de inflatie 3,2% per jaar. Sinds de invoering van de euro in 1999 is de jaarlijkse inflatie gemiddeld 2,3% geweest. Omdat het CBS uitgaat van 1900=100, zijn er geen gegevens van voor 1900 bekend. Dit percentage zal moeten worden geschat. Voorzichtigheidshalve wordt een percentage van 2,5% genomen. Een bedrag van 400 gulden zou vandaag de dag 4.987,20 euro zijn geweest. Het afsluiten van het contract zou ongeveer 50 euro hebben gekost. Mocht Jan worden ingeloot, dan zou zijn vader nog eens 1.196 euro armer zijn geweest. Al met al ruim 5000 euro. Een knap kapitaal destijds.

Jan huwt op 25 mei 1854 met Feikjen. Feikjen is doopsgezind. Uit de inschrijving van het bevolkings- register blijkt dat Jan en Feikjen in januari 1855 naar Bergum zijn verhuisd. Uit het huwelijk worden 4 kinderen geboren waarvan er twee vroegtijdig overlijden. Na het overlijden van zijn moeder heeft Jan de herberg overgenomen van zijn vader (Leeuwarder Courant 3 juni 1859). Jan wil in juni 1859 bij aanbesteding de bouw van een nieuw logement op de plaats van de oude dorpsherberg realiseren. (LC 10 juni 1859). Voorts wil hij in maart 1862 een schuur bouwen middels aanbesteding (LC 7 maart 1862). Jan doet zijn herberg met stalling en erf te Oostermeer in het Gebuurte in de verkoop voor Fl. 782,- (LC 10 maart 1865). De herberg wordt regelmatig gebruikt voor openbare verkopen. Voorts is Jan veekoopman. Het paar woonde aan het Wâltsje nr. 4 (rk. 201, sk.74 en rk.202, sk.73. Nu nr. 7). Andries Jans Bouwes koopt het huis op 15 maart.

Het huwelijk tussen Jan en Feikjen blijkt niet gelukkig te zijn geweest. Het draait uiteindelijk uit op een scheiding tussen tafel en bed. Hiertoe wordt op 24 januari 1878 voor de burgerlijke rechter een tweetal zaken gevoegd behandeld. De eerste zaak betreft de wederrechtelijke medeneming van de huisraad en de kinderen door Feikjen en de tweede zaak betreft het verzoek tot scheiding van tafel en bed. Aanleiding voor de procedure zijn de navolgende feiten en omstandigheden. Feikjen is op 8 januari 1877 uit de echtelijke woning vertrokken nadat Jan haar op 1 januari 1877 met de dood heeft bedreigd. Feikjen neemt Sietske en Ybeltje mee, alsmede een aanzienlijk gedeelte van de gezamenlijke huisraad. Jan is het hier niet mee eens en vordert in rechte terugbrenging van zijn twee dochters en de navolgende huisraad, bestaande in: een opgelegd kabinet, een spiegel, een klok, een kolomkachel met tang en pook, twee bedden met toebehoren, negen stoelen met biezen matten, een theestoof met verlakte ketel, een verlakt koffieblad, twee theeblikken, verlakte, twee verlakte koffiekannen, twee verlakte presenteertrommeltjes met daarbij behorende blaadjes, een koperen doofpot, een koperen theeketel, een koperen handketel, een koperen koffiekan, een koperen vuilnisblik, een koperen kwispeldoor, een tinnen koffiekan, een tinnen waterkan, een tinnen waterpot, een koffiemolen, een kinderstoel, een bakerskoof, een wieg, twee houten lijnen en enig porselein alsmede enig wit aardewerk. Tegelijkertijd wordt de scheiding van tafel en bed behandeld. Hangende de procedure verblijft Feikjen te Roordahuizum. Gebleken is dat Feikjen gedurende het huwelijk heeft moeten ondervinden dat Jan zich gedurig aan dronkenschap heeft schuldig gemaakt, dat zij te weinig geld krijgt voor de huishouding, waarbij Jan haar beschuldigd van het feit dat Feikjen en de oudste dochter het geld verkwisten, dat Jan haar en haar oudste dochter beledigende uitdrukkingen toevoegt en dat Jan haar op 1 januari 1877 het leven heeft bedreigd, waarbij voor zijn vrouw en dochter het mes klaarlag en voor hem het pistool. Bovendien heeft Jan haar mishandeld. In ieder geval heeft hij haar op 13 of 14 oktober 1876 mishandeld, waarbij zijn oudste dochter haar moeder heeft moeten ontzetten. In de kwestie van de medeneming van de kinderen en de huisraad wordt Feikjen in het ongelijk gesteld. Feikjen wordt veroordeeld om binnen 2x 24 uur de roerende goederen terug te brengen alsmede de kinderen terug te brengen in de vaderlijke macht. In de kwestie van de scheiding tussen tafel en bed wordt Feikjen in het gelijk gesteld. Voorts worden de kinderen aan Feikjen toegewezen en mogen zij in Roordahuizum gaan wonen. Jan wordt overigens bij verstek veroordeeld. De uitspraak wordt op 1 februari, 1 maart en 2 april 1878 gepubliceerd in de Leeuwarder Courant. Sindsdien leeft het paar dus gescheiden. Jan woont in Oostermeer en Feikjen woont in Roordahuizum.

Enkele maanden na het vonnis komt Jan op woensdag 26 juni 1878 te overlijden. Jan overlijdt plotseling als gevolg van de hitte. De Leeuwarder Courant bericht dat er sprake was diverse doden als gevolg van de heersende hitte (LC 28/30 juni 1878). Als gevolg van het plotselinge overlijden van Jan wordt door Feikjen op 19 juli 1878 een advertentie in de Leeuwarder Courant geplaatst. Zij verzoekt: "een ieder die iets te vorderen van- of verschuldigd is aan de onder het voorregt van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap van wijlen Jan Lammerts Bouwes, gewoond hebbende te Oostermeer en aldaar overleden den 26 junij 1878, worden verzocht daarvan franco op en aangave te doen aan en ten huize van de Weduwe Bouwes te Roordahuizum, vóór of uiterlijk op den 25 julij 1878."

Gedurende zijn leven heeft Jan vele verschillende soorten beroepen uitgevoerd. Zo was hij koopman (1854), Herbergier (1859) Logementhouder (1860, 1862, 1864) en Houtkoper (1865). De herberg werd voortgezet door zijn broer Albert Andries Bouwes ( meester bakker 1865 - 1909).

Vk Willemke Andries Bouwes



Willemke Andries Bouwes is geboren op 11 april 1832 om 11:00 in Augustinusga, dochter van Andries Jans Bouwes (Boewes) en Ybeltje Alberts van Bruggen. Van de geboorte is aangifte gedaan op 12 april 1832. Willemke is overleden op 12 maart 1897 om 15:00 in Bergum, 64 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 12 maart 1897. Willemke trouwde, 22 jaar oud, op 10 januari 1855 in Tietjerksteradeel met Jan Cornelis Kramer, 29 jaar oud. Jan is geboren op 4 maart 1825 in Bergum, zoon van Cornelis Piers Kramer en Antje Thomas Hoekstra. Van de geboorte is aangifte gedaan op 05 maart 1825. Jan is overleden op 24 maart 1883 in Bergum, 58 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 27 maart 1883.

Uit het huwelijk worden 8 kinderen geboren, te weten 4 dochters en 4 zonen. Haar ouders vertrekken na mei 1835 naar Oostermeer, alwaar Willemke opgroeit. Willemke is Nederlands Hervormd. Willemke trouwt met Jan Cornelis Kramer. Jan is houtkoper van beroep en geboren te Bergum. Jan woont ten tijde van de huwelijksvoltrekking in Bergum. Beide ouders geven toestemming. Willemke is nog minderjarig en ook haar beide ouders geven toestemming voor de voltrekking van het huwelijk. Haar broer Jan tekent als getuige met J.L. Bouwes Az.

Na het huwelijk woont het paar in Oostermeer alwaar ook de kinderen worden geboren. Na het overlijden van Jan koopt Willemke een stuk vergraven land te Harkema Opeinde voor een bedrag van 230 gulden.

Vl Albert Andries Bouwes



Albert Andries Bouwes is geboren op 20 juni1841 om 03:00 in Eastermar, zoon van Andries Jans Bouwes en Ybeltje Alberts van Bruggen. Van de geboorte is aangifte gedaan op 22 juni1841. Albert is overleden op 28 november1909 om 14:30 in Eastermar, 68 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 29 november1909. Hij is begraven te Eastermar. Albert trouwde, 22 jaar oud, op 19 mei 1864 in Burgum met Elizabeth Atzes Atsma, 25 jaar oud. Elizabeth is geboren op 01 september1838 in Eastermar, dochter van Atze Dirks Atsma en Ymke Folkerts van der Leij. Van de geboorte is aangifte gedaan op 03 september1838. Elizabeth is overleden op 29 november1913 in Groningen, 75 jaar oud. Zij is begraven te Eastermar.

Uit het huwelijk worden 5 kinderen geboren, te weten: Andries Alberts (1841-1909), Atze Alberts (1866-1943), Jacob Alberts (1868-1914), Ybeltje Alberts (1872-1945) en Wybren Alberts (1875-1944).

Albert groeit op in Oostermeer. Albert is Hervormd en leert in Oostermeer Elizabeth kennen. Uit de huwelijksakte blijkt dat Albert al bakker is. Albert is dan 22 jaar. Zijn vader Andries is blijkens de akte winkelier te Oostermeer en geeft toestemming omdat destijds de leeftijd van meerderjarigheid op 25 stond. Albert betrekt het pand aan de E.M. Beijmastrjitte nr. 40. Van oudsher was daar al een bakkerij gevestigd. Albert's hoofdberoep is bakker maar daarnaast is hij herbergier van 's Lands Welvaren te Oostermeer en drankhandelaar.

Voorts wordt Andries vanaf 20 augustus 1887 tot 12 mei 1888 door Burgemeester en Wethouders aangewezen als schutstalhouder (=schuur uit het midden van de 20e eeuw waar de veldwachter uitgebroken vee tijdelijk onderbracht). De schutstal bevindt zich in het huis Wijk III, nr. 31. Albert wordt in 1878 veroordeeld wegens overtreding m.b.t. het ijken van gewichten. Op 1 november 1879 wordt een verzoek ingediend om een petroleumbergplaats te mogen inrichten. Vervolgens vindt er levering van petroleum aan de gemeente plaats. bovendien wordt in 1882 een vergunning afgegeven zodat Albert sterke drank mag verkopen (bron: Friesarchiefnet).

Als bakker zijnde is Albert in 1882 in het bezit van een bolderwein (glazen bolderkar). Als kastelein schrijft hij regelmatig harddraverijen uit waarbij een prijs wordt uitgeloofd (Leeuwarder Courant). Albert overlijdt zeer plotseling op 28 november 1909. Albert heeft zich in het spekhok van zijn woning opgehangen. Uit de familieoverlevering zou blijken dat hij daags voor zijn daad tegen zijn kleinkinderen hebben gezegd: "Moan is pake der net meer". Hij laat zijn vrouw, 3 kinderen en 4 kleinkinderen achter. Elizabeth krijgt later zelf nog de nodige gezondheidsproblemen waaronder een attack waarvan ze niet meer is hersteld. Elizabeth wordt tot het einde van haar leven verzorgd door haar dochter Ybeltje.

Vm Grietje Andries Bouwes



Grietje Andries Bouwes is geboren op 19 maart 1844 in Eastermar, dochter van Andries Jans Bouwes (Boewes) en Ybeltje Alberts van Bruggen. Van de geboorte is aangifte gedaan op 20 maart1844. Grietje is overleden op 16 maart 1907 in Groningen, 62 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 16 maart 1907. Grietje trouwde, 20 jaar oud, op 19 mei 1864 in Bergum met Egbert Oebeles van der Kooi, 28 jaar oud. Egbert is geboren op 25 januari 1836 in Burgum, zoon van Oebele Kornelis van der Kooi en Antje Egberts Veenstra. Van de geboorte is aangifte gedaan op 26 januari 1836. Egbert is overleden op 19 september 1880 in Suameer, 44 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 20 september 1880. Uit het huwelijk wordt 1 zoon geboren, te weten Oebele Egberts van der Kooi (1868-?).

Grietje is het vierde kind en de eerste dochter van Andries Jans en Ybeltje. Ook hier heeft Andries de vernoemingsregels weer juist toegepast. Nu het een dochter betreft dient zij te worden vernoemd naar de moeder van Andries, te weten Grietje Geerts Jonkhoff. Grietje groeit op in Oostermeer. Uit de bevolkingsgegevens van Oostermeer blijkt dat zij Hervormd is. Overigens is de gehele familie Hervormd.

Grietje trouwt op 20-jarige leeftijd. Omdat ze minderjarig is, geeft haar vader Andries toestemming voor het huwelijk. Egbert is 8 jaar ouder en van beroep timmerknecht, wonende te Bergum. Na het huwelijk woont het paar in Bergum. Aldaar wordt hun zoon Oebele geboren. Vlak daarna gaat het paar in Suameer wonen. Grietje is van beroep dienstmeid en naaister/breister. Egbert komt plotseling te overlijden en dit verlies heeft Grietje nooit goed kunnen verwerken. Grietje komt enkele keren in aanraking met justitie en dit leidt zelfs tot een aantal gerechtelijke veroordelingen. Grietje komt voor het eerst met justitie in aanraking nadat zij op of omstreeks 16 juni 1883 te Bergum een kerkboekje met een gouden slot/knip heeft gestolen.

De kwestie komt ter zitting van 15 september 1883. Ze wordt veroordeeld voor 183 dagen cellulaire gevangenisstraf wegens eenvoudige diefstal. Grietje zit dan al in hechtenis wegens de brandstichting, welke kwestie nog dient voor te komen. Grietje is op 15 november 1883 door het Gerechtshof te Leeuwarden veroordeeld tot 5 jaar tuchthuisstraf wegens opzettelijke brandstichting, waarbij was te voorzien dat er mensenlevens in gevaar konden worden gebracht. Op 26 november 1892 is zij door de rechtbank te Leeuwarden veroordeeld tot 1 jaar gevangenisstraf wegens diefstal. Zij is op 11 december 1893 uit de strafgevangenis te Utrecht ontslagen en zal zich ter ontvangst harer uitgaanskas naar Leeuwarden begeven. Haar gedrag in de gevangenis was zeer goed, zij verrichte naaiwerk. Zij kon schrijven. Op 1 november 1883 om 10 uur vindt het onderzoek ter terechtzitting plaats aangaande de opzettelijke brandstichting. Grietje geeft aan 39 jaar te zijn, weduwe van Egbert Oebele van der Kooi en voor haar beroep is ze naaister en breidster. Ze is geboren te Oostermeer en woonachtig te Suameer. Ze zit echter sinds augustus 1883 al in voorlopige hechtenis. Tijdens de zitting wordt nog voorgelezen een vonnis van 15 september 1883 gewezen door de rechtbank te Leeuwarden. Het betrof de diefstal van een kerkboekje met gouden slot/knip te Bergum. Na het voorlezen wordt een zevental getuigen gehoord. De voorzitter bepaalde het vonnis voor 15 november 1883. Aanleiding tot de veroordelingen was wegens opzettelijke brandstichting op 18 augustus 1883 in het rieten dak van de woning van J.T. Pebesma en K.M. v.d. Zee.

De kwestie is breed uitgemeten in de Leeuwarder Courant van 5 november 1883. Uit de stukken blijkt dat Grietje het rieten dak in brand heeft gestoken. De vlam op het dak was ongeveer een armlengte hoog en 20 cm breed. De brand breidde zich uit toen een buurvrouw er met een klomp op sloeg. De buurvrouw constateerde dat het naar petroleum rook. Grietje bekend uiteindelijk maar stelt dat als zij het gedaan had, dat het dan door een ongeluk zou zijn gebeurd. Grietje heeft echter de schijn tegen omdat zij reeds vroeger van brandstichting werd verdacht. De relatie tussen Grietje en Pebesma was al niet goed. Pebesma refereerde aan de diefstal van een kerkboek door Grietje. Grietje heeft Pebesma vervolgens bedreigt. De advocaat-generaal vordert 25 jaren tuchthuis omdat hij Grietje een monster vindt. Haar raadsman pleit voor vrijspraak omdat opzet niet is bewezen. Het Hof denkt daar echter anders over en veroordeeld Grietje op 15 november tot 5 jaar tuchthuisstraf. In de loop van 1888-1889 komt Grietje vrij. Grietje blijkt recidiviste; Grietje wordt op 26 november 1892 door de rechtbank te Leeuwarden veroordeeld tot 1 jaar gevangenisstraf wegens 3 diefstallen, te weten twee zilveren lepels en een gouden broche met een bloedsteentje. Het onderzoek ter terechtzitting vangt aan op 16 november 1892 om 10.00. Grietje is aanwezig. Voorts is een aantal getuigen aanwezig, waaronder een waarbij Grietje zo nu en dan eens bij haar in Leeuwarden poetste. De eerste getuige verklaart dat zij tot voorkort gedurende een week of 6 Grietje voor een halve dag in de week in dienst heeft gehad. Getuige heeft verklaard dat Grietje twee zilveren lepels en een gouden broche heeft ontvreemd. Zij heeft bij Grietje een van de lepels gebroken aangetroffen. De broche herkent zij omdat haar een steentje wordt getoond welke daar in zat. De tweede getuige is een goud- en zilversmid te Leeuwarden. Hij verklaart begin oktober 1892 voor zes stuivers het bovenste gedeelte van vorenstaande zilveren lepel. Hij heeft het stuk zilver al reeds versmolten toen de politie hem daarnaar vroeg. De derde getuige is in dienst bij bovenstaande zilversmid. Hij heeft begin oktober 1892 het onderste gedeelte van de zilveren lepel voor een daalder heeft gekocht. Ook hij heeft dat stuk zilver reeds versmolten. De vierde getuige is een zeventien jarige zilversmidsknecht. Hij werkt niet voor vorenstaande zilversmid. Hij verklaart dat hij op 21 oktober 1892 voor elf stuivers heeft gekocht het bovenste gedeelte van een zilveren lepen, voorstellende een jager e.a. Dit stuk zilver is door de politie in beslag genomen en wordt ter zitting getoond. De vijfde getuige is een goud- en zilversmid te Leeuwarden. Hij verklaart dat hij op 12 oktober 1892 voor 2,50 gulden een gouden broche met bloedstenen heeft gekocht van Grietje. Het goud is reeds omgesmolten maar de steen is ter hand gesteld aan de politie en wordt ter zitting getoond. Grietje erkent dat zij bij de eerste getuige in dienst is geweest bij wie ze wekelijks een halve dag kwam werken. Ze erkent dat ze begin oktober 1892 de zilveren lepel heeft gestolen, gebroken en heeft verkocht. Voorts erkent ze dat ze op 12 oktober 1892 ten nadele van de eerste getuig heeft gestolen een gouden broche met een bloedsteentje en deze heeft verkocht aan de vijfde getuige. Ook bekend ze de diefstal van de tweede zilveren lepel, te weten op 20 oktober 1892. Ook deze lepel heeft ze gebroken en gedeeltelijk verkocht. Het andere gedeelte is onder haar in beslag genomen.

Op de vraag wat ze met het geld heeft gedaan antwoordt ze dat ze dit voor zichzelf heeft gebruikt. Ze heeft geen reden opgegeven voor de diefstallen. Zij is breister en hoeft enkel voor haarzelf te zorgen. Voorts woont ze bij haar zoon omdat zij daar na het overlijden van haar schoondochter de huishouding doet. Voor die tijd woonde ze te Leeuwarden samen met zoon Oebele aan de Torenstraat H29 onder voor. Inschrijving 1876 - 1904 (nr. 1486).

De voorzitter bepaalde het vonnis voor zaterdag 26 november 1892 en veroordeelt haar tot 1 jaar gevangenisstraf. Grietje wordt overgeplaatst naar de gevangenis te Utrecht alwaar zij op 11 december 1893 wordt ontslagen. Voordat Grietje werd ontslagen, is er een foto van haar gemaakt en zijn haar kenmerken genoteerd. Uit het Persoonskenmerken Geheim Register Ontslagen Gevangenen blijkt dat Grietje: Lang: 1.65 meter, Kleur haar: blond, Wenkbrauwen: blond, Voorhoofd: laag, Ogen: bruin, Neus: klein, Mond: klein, Kin: spits, Aangezicht: ovaal, Kleur: gezond. Grietje woont tot haar overlijden in 1907 in Groningen. Grietje is begraven te Bergum, alwaar haar zoon en man ook zijn begraven.

Vl-1 Andries Alberts Bouwes



Andries Alberts Bouwes is geboren op 13 april 1865 in Eastermar, zoon van Albert Andries Bouwes en Elizabeth Atzes Atsma. Van de geboorte is aangifte gedaan op 14 april 1865. Andries is overleden op 22 mei 1891 in Eastermar, 26 jaar oud. Andries is ruim 5 jaar ziek geweest. Van het overlijden is aangifte gedaan op 31 mei 1891. Andries bleef ongehuwd.

Andries vraagt in 1887 om een drankwetvergunning voor een pand te Oostermeer. Het betreft de herberg aan de E.M. Beijmastrjitte. In april 1888 maken Burgemeester en Wethouders bekend dat Andries van 12 Mei 1888 tot 12 Mei 1889 tot schutstalhouder wordt benoemd. Andries is dan 23 jaar oud (bron: Friesarchiefnet).

Net als zijn vader en grootvader heeft Andries ook moeten loten voor de Nationale Militie. Andries is loteling voor de Nationale Militie van de lichting 1885 omdat hij daarvoor nummer 25 heeft getrokken. Hiertoe is een tweetal contracten tot plaatsvervanging getekend. Op 13 april 1885 wordt bij de notaris te Leeuwarden een contract van plaatsvervanging getekend met Watze Veenstra, minderjarige arbeider te Surhuisterveen. Het kost Albert een bedrag van 430 gulden, waarvan reeds 30 gulden is aanbetaald. Dit is omgerekend een bedrag van ongeveer 4.939 euro. Op 11 juni 1885 wordt bij de notaris te Leeuwarden een nieuw contract van plaatsvervanging getekend voor de Nationale Militie. Als plaatsvervanger treedt op Tjibbe Wobbes Pebesma, arbeider en wonende te Oostermeer. Voor de plaatsvervanging wordt een bedrag van 290 gulden betaald. Omgerekend is dit 3.331 euro.

Andries is blijkens advertenties in de Leeuwarder Courant logementhouder. Voor de aankomende kermis adverteert hij op 7 juni 1889 voor stalling van paarden alsmede best land voor paarden. Andries overlijdt op 22 mei 1891 na een langdurig lijden van ruim 5 jaar. Zijn zus Ybeltje droeg als herinnering een blonde haarlok van Andries bij zich. In het graf van Andries is inmiddels ook Trijntje Wietske de Vries begraven.

VIl Atze Alberts Bouwes



Atze Alberts Bouwes is geboren op 22 oktober 1866 in Eastermar, zoon van Albert Andries Bouwes en Elizabeth Atzes Atsma. Van de geboorte is aangifte gedaan op 22 oktober 1866. Atze is overleden op 25 juli 1943 om 01:30 in Eastermar, 76 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 26 juli 1943. Hij is begraven in Eastermar. Atze trouwde, 32 jaar oud, op 20 mei 1899 in algehele gemeenschap van goederen in Burgum met Aaltje Jans Bergsma, 27 jaar oud. Aaltje is geboren op 09 april 1872 in Noordhorn, dochter van Jan Bergsma en Aaltje Jurjens de Boer. Aaltje is overleden op 10 april 1960 in Burgum, 88 jaar oud. Zij is begraven in Eastermar.

Uit het huwelijk worden vier kinderen geboren, te weten Elisabeth (1900-1900), Elisabeth (1901-1994), Aaltje, (1902-1990) en Albert Andries (1904-1993).

Atze groeit op in Oostermeer. Hij trouwt met Aaltje Bergsma, de dienstmeid van de familie. Blijkens de huwelijksakte is Atze, net als de rest van de familie, koopman. De ouders van Aaltje wonen te Oostwold en zijn aanwezig bij de huwelijksvoltrekking. Bij de geboorte van de eerste dochter worden de vernoemingsregels traditiegetrouw toegepast. Elisabeth wordt vernoemd naar de moeder van Atze. Het kindje leeft echter maar 18 dagen en is in een graf begraven op de begraafplaats te Oostermeer.

De tweede dochter wordt ook Elisabeth genoemd. Het is een gewoonte dat indien het eerste kind vroegtijdig komt te overlijden, het tweede kind (afhankelijk of het een jongen of een meisje is) wordt ook Elisabeth genoemd. Dit kind is sterk genoeg. De tweede dochter (derde kind) wordt vernoemd naar de moeder van Aaltje. De eerste zoon (vierde kind) wordt traditiegetrouw naar zijn grootvader genoemd; in dit geval Albert. De tweede naam is (vermoedelijk) ingegeven door het vroegtijdig overlijden van Andries, de oudste broer van Atze.

Atze woonde met zijn neef Wybren Atzes Atsma in de oostelijke kamer van de Snakkeburen 25/26. Atze is een handige koopman. Hij verwerft door de jaren heen veel grond en enkele huizen. Zo verkoopt hij op 23 augustus 1913 een huis, schuur, stookhut, erf, grond en enig land te Drogeham, voor een bedrag van fl. 1400. Uit de akte blijkt dat Atze in 1913 in Twijzel woont. Later houdt hij zich bezig met het keuren van vee, met name paarden (Veekeurmeester (1909) (LC 1 oktober 1909). Later is hij ook veehandelaar. Atze was in elk geval verzot op paarden en was in het bezit van een "mooie en soliede krompanelen chais". Deze biedt hij uiteindelijk op 29 augustus 1905 te koop aan.

Ook zit Atze in het bestuur van de uitvaartvereniging "de Laatste Eer". Stelt zich niet weer verkiesbaar (LC 14 februari 1912). De vereniging is opgericht in 1910. Politiek is hij ook geëngageerd. Mede door hem wordt een afdeling Suameer en omstreken van de S.D.A.P. opgericht. Een bestuur van vijf leden werd gekozen: De heren K. van Lunzen, F. vd Leest, A. Bouwes, S. Atsma en F vd Meer. De nieuwe afdeling vangt aan met 27 leden. De banden met het socialisme zijn duidelijk aanwezig omdat Atze Jelle Troelstra kent en Jelle met enige regelmaat contact had met Atze. In 1919 stelt Atze zich namens de S.D.A.P. verkiesbaar voor de gemeente Tietjerksteradeel (LC 12 april 1919). Atze dingt ook mee naar de functie van voorzitter van het Waterschap te Suameer (LC 30 maart 1937). Het aantal uitgebrachte stemmen: 36 van de 37 voor herverkiezing voorzitter. A. Bouwes; 1 stem. Hij heeft dus op zichzelf gestemd.

Na het overlijden van zijn broer Jacob verhuist Atze naar Oostermeer. In 1915 wordt Atze, veekoopman, getrouwd met Aaltje Jans Bergsma, bewoner van het huis. Nr. [63] aan de E.M. Beijmastrjitte. Het huis staat bekend als het 'Atse Bouwes-huis'. Jammergenoeg is de woning in 1971 afgebroken, omdat het plaats moest maken voor het toen aangelegde Harstepaad (bron:Bosma-collectie). Met de opkomst van de telefonie werd een telefoon aangeschaft. Het telefoonnummer van A.A. Bouwes was in 1928 nr. 54. Atze overlijdt op 25 juli 1943 na een langdurig ziekbed. Zijn begrafenis wordt in elk geval niet door zijn zoon Albert bijgewoond. Op het moment van overlijden van Atze zat Albert geïnterneerd in een Jappenkamp. Aaltje overlijdt op 15 april 1960 in het bejaardenhuis "Eeburght" te Bergum.

Vl-3 Jacob Alberts Bouwes



Jacob Alberts Bouwes is geboren op 8 december 1868 in Eastermar, zoon van Albert Andries Bouwes en Elizabeth Atzes Atsma. Van de geboorte is aangifte gedaan op 8 december 1868. Jacob is overleden op 23 februari 1914 om 10:30 in Twijzel, 45 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 24 februari1914. Jacob is begraven in Eastermar. Jacob bleef ongehuwd.

Jacob wordt geboren als derde kind. Hij is vernoemd naar Jacob Atzes Atsma, de jong overleden broer van zijn moeder Elisabeth. Haar broer overleed op 22 juni 1868. De naam Jacob komt verder niet voor in de familie Bouwes. In mei 1884 redt Jacob een knaapje uit de dorpsvaart. Dit is reeds het vijfde kind dat door Jacob Bouwes voor verdrinking werd bewaard. De jongeling verdient nu reeds eervolle onderscheiding (Bosma-archief /24.05;2-4). Jacob is kastelein en logementhouder (1878). Op 11 september 1897 wordt in het logement een lezing gehouden over groene bemesting (LC 14 september 1897).

Volgens de familieoverlevering was Jacob wat onevenwichtig van karakter. Hij was daarbij drankzuchtig en verstopte vaak drank buiten tussen de takken als hij hout sprokkelde voor de houtoven van de bakkerij van zijn vader. Jacob woonde, net als zijn broer Atze, te Twijzel, alwaar hij in 1914 is overleden.

Vl-4 Ybeltje Alberts Bouwes



Ybeltje Alberts Bouwes is geboren op 11 september 1872 in Eastermar, dochter van Albert Andries Bouwes en Elizabeth Atzes Atsma. Van de geboorte is aangifte gedaan op 13 september 1872. Ybeltje is overleden op 21 juli 1945 in Leeuwarden, 72 jaar oud. Ybeltje trouwde, 40 jaar oud, op 31 oktober 1912 in Burgum met Meine Jedema, 46 jaar oud. Meine is geboren op 23 oktober 1866 in Noordwolde, zoon van Koene Jans Jedema en Hiltje Meines Eits. Van de geboorte is aangifte gedaan op 26 oktober 1866. Meine is overleden op 22 oktober 1939 in Leeuwarden, 72 jaar oud. Van het overlijden is aangifte gedaan op 23 oktober 1939. Hij is begraven op 26 oktober 1939 in Oostermeer.

Ybeltje is de eerste dochter. Traditiegetrouw wordt zij dan vernoemd naar haar grootmoeder, in dit geval de in 1856 overleden Ybeltje Alberts van Bruggen. Ybeltje groeit op in Oostermeer en is later belast met de verzorging van haar moeder Elizabeth. Pas in 1912 trouwt ze te Burgum met Meine Jedema, 46 jaar oud en werknemer van de Gruno. Het paar blijft kinderloos. Het paar woont in 1914 te Groningen aan de 2e Willemsstraat 28a. Op dit adres overlijdt Elizabeth op 29 november 1913. Na een aantal jaren verhuist het paar naar Leeuwarden om daar aan de Willem Lodewijkstraat 139 te gaan wonen. Meine overlijdt aldaar en wordt te Oostermeer begraven. De begrafenis vindt plaats om 14.00u, vertrek vanaf Hotel Kuindersma te Oostermeer.

VIm Wybren Alberts Bouwes



Wybren Alberts Bouwes is geboren op 15 mei 1875 in Eastermar, zoon van Albert Andries Bouwes en Elizabeth Atzes Atsma. Van de geboorte is aangifte gedaan op 18 mei 1875. Wybren is overleden op 25 maart 1944 in Leeuwarden, 68 jaar oud. Hij is begraven op 26 maart 1944 in Eastermar. Wybren trouwde, 28 jaar oud, op 12 mei 1904 in Oostermeer met Janke Veenstra, 21 jaar oud. Janke is geboren op 14 april 1883 in Kooten, dochter van Ate Wiebrens Veenstra en Jantje Caspers Blom. Van de geboorte is aangifte gedaan op 16 april 1883. Janke is overleden op 27 maart 1965 in Burgum, 81 jaar oud. Zij is begraven in Eastermar.

Wybren is het laatste kind en de jongste zoon. Volgens de vernoemingsregels dient de vierde zoon te worden vernoemd naar de oudste broer van de moeder. De oudste broer van Elizabeth heet echter Dirk Atzes. Kennelijk is er gebroken met de vernoemingstraditie en is Wybren vernoemd naar de jongste broer van Elizabeth, Wybren Atzes. Wybren woont te Oostermeer (1914) en heeft zich daar gedurende zijn leven ingezet voor het dorpsleven. Zo is Wybren betrokken bij de oprichting van de V.V.V. op 17 april 1935 en bestuurslid van de plaatselijke VVV (Vereniging voor Volksvermaken)(LC 19 april 1935) alsmede Secretaris V.V.V. (1942)(LC 11 augustus 1942). Bovendien houdt Wybren zich intensief bezig met toneel. Hiertoe is hij leider van de toneelvereniging te Oostermeer (1938) (LC 18 januari 1938) en zelf ook een niet-onverdienstelijke schrijver van toneelstukken.

Van zijn hand komen de toneelstukken Tuterbekje : klucht yn ien útkomste (1942) en Op Rûch-Finne : aldjiersjounskets yn ien útkomste for 2 frouljue en 3 mânljue (1942). In 1947 wordt "Troch tsjusternis nei 't ljocht" uitgegeven. "Oarspronkelik toanielstik yn fjouwer bidriuwen : 4 m., 6 f. Geschreven door W. Bouwers, pseudoniem van W.A. Bouwes.

Ook is Wybren Fourage Handelaar (1928) en heeft telefoonnummer 84. Wybren is, net als Atze, liefhebber van harddraverijen en is dan ook in het bezit van een paard ten behoeve van harddraverijen. Met paard genaamd Jonge Kruger meegedaan aan harddraverijen. (LC 19 juni 1901). Na het overlijden van zijn vader treedt Wybren op als contactpersoon. hiertoe roept hij op 24 december 1909 een ieder op die wat te vorderen heeft van Albert Andries Bouwes zich te melden (LC 24 december 1909) en biedt op 5 december 1913 te koop aan "de vanouds best beklante Dorpsherberg-logement Het Landswelvaren te Oostermeer met stalhouderij. In deze zaak worden tevens gedreven een welbeklante handel in voederartikelen en granen, welke desverlangd kan worden overgenomen. Ook is de eigenaar genegen circa 2 pondemaat uitstekend greidland er bij te voegen. Wybren overlijdt op 25 maart 1944 te Leeuwarden en wordt begraven te Oostermeer.

VIId Elisabeth Bouwes


Elisabeth Bouwes is geboren op 25 juni 1901 om 11:00 in Eastermar, dochter van Atze Alberts Bouwes en Aaltje Jans Bergsma. Van de geboorte is aangifte gedaan op 27 juni 1901. Elisabeth is overleden op 02 maart 1994 in Amersfoort, 92 jaar oud. Zij is begraven in Oostermeer. Elisabeth trouwde, 24 jaar oud, op 02 januari1926 in Oostermeer met Jacob Bast, 25 jaar oud. Jacob is geboren op 17 september 1900 in Doniawerstal, zoon van Jan Bast en Berendtje de Vries. Van de geboorte is aangifte gedaan op 19 september 1900. Jacob is overleden op 06 juli1963 in Leeuwarden, 62 jaar oud (oorzaak: Ziekte). Hij is begraven in Oostermeer.

Elisabeth is de tweede dochter. Ze heeft nog een zusje gehad maar die overleed reeds na 18 dagen. Ingevolge de vernoemingsregels is Elisabeth naar haar oma vernoemd. Op 1 januari 1901 wordt de leerplichtwet ingevoerd en werden kinderen van 6-12 verplicht tot het volgen van onderwijs. Ook Elisabeth is naar school geweest. Samen met haar zusje Aaltje heeft zij vanaf 1908 op de Iepenbiere Skoalle te Oostermeer gezeten.

Elisabeth trouwt te Oostermeer met Jacob Bast, arts van beroep. Het eerste kind wordt in 1927 in Oude Haske geboren. Jacob had daar zijn eerste praktijk. Nadien verhuist het paar naar Lemmer omdat daar de nieuwe praktijk van Jacob was. Aldaar wordt in 1930 het tweede kind geboren. Elisabeth is in deze periode verantwoordelijk voor het runnen van de apotheek. Een arts kon niet zonder apotheek op het platteland. Jacob is door een patiënt besmet met open TBC. Hierdoor heeft hij noodgedwongen met pensioen moeten gaan. Er was maar een mogelijkheid tot het aansterken en dat kon alleen in Davos, Zwitserland. Het paar verhuist daarom naar Zwitserland omdat de berglucht beter zou zijn voor de gezondheid van Jacob. Het paar woont in 1943 in Leysen, Zwitserland. Jacob overlijdt uiteindelijk in Leeuwarden. Elisabeth komt terug naar Nederland en is in haar laatste jaren woonachtig in Baarn in de verzorginsvilla "Huize Welgelegen" aan de Emmalaan te Baarn, vlak om de hoek bij haar broer Albert. Elisabeth overlijdt uiteindelijk op 93-jarige leeftijd in het verpleeghuis "De Lichtenberg" te Amersfoort. Ze is begraven te Oostermeer.

VIIe Aaltje Bouwes


Aaltje Bouwes is geboren op 18 december 1902 om 02:00 in Eastermar, dochter van Atze Alberts Bouwes en Aaltje Jans Bergsma. Van de geboorte is aangifte gedaan op 20 december 1902. Aaltje is overleden op 25 september 1990 in Appelscha, 87 jaar oud. Aaltje trouwde, 22 jaar oud, op 5 februari 1925 in Eastermar met Lammert Harkes de Vries, 27 jaar oud, nadat zij op 24 december1924 in Den Haag/Oostermeer in ondertrouw zijn gegaan. Lammert is geboren op 23 juni 1897 in Leeuwarden, zoon van Harke Lammerts de Vries en Tjitske Vellinga. Van de geboorte is aangifte gedaan op 25 juni 1897. Lammert is overleden in Appelscha.

Aaltje is de tweede dochter en is ingevolge de vernoemingsregels vernoemt naar haar grootmoeder, Aaltje Jurjens de Boer. Samen met haar zus Elisabeth zit zij vanaf 1908 op de Iepenbiere Skoalle te Oostermeer. Aaltje ontmoet een landbouwkundig ingenieur, genaamt Lammert de Vries. Lammert woont in Den Haag aan de banaanstraat 90 en Aaltje woont te Leeuwarden aan de Oranje Nassaustraat 8 (LC 7 februari 1925).

Uit het huwelijk wordt een zoon en een dochter geboren. Het paar verhuist naar Heiloo alwaar zij tot aan hun dood wonen. Aaltje houdt in Heilo een dagboek bij van de oorlog. Het dagboek is in te zien bij het NIOD en staat geclassificeerd en omschreven als: "De schrijfster is een plm. 40-jarige huisvrouw; haar man is rijksveeteeltconsulent. Zij schrijft een - pas in december 1940 werkelijk begonnen - algemeen oorlogsdagboek, met weinig persoonlijks. Ook wat plaatselijke gegevens. September 1939 - mei 1945. Het dagboek geeft aan dat er foto's bij zouden zitten doch deze zijn nimmer aangetroffen in het dagboek.

VIIf Albert Andries Bouwes


Albert Andries Bouwes is geboren op 26 april 1904 om 10:30 in Eastermar, zoon van Atze Alberts Bouwes en Aaltje Jans Bergsma. Van de geboorte is aangifte gedaan op 27 april 1904. Albert is overleden op 21 september 1993 om 05:30 in Baarn, 89 jaar oud. Hij is begraven in Eastermar. Albert trouwde, 34 jaar oud, op 14 maart 1939 in Batavia (Java, Nederlands Indië) met Jetske Sybranda Bloemhof, 25 jaar oud. Jetske is geboren op 8 augustus 1913 in Leeuwarden, dochter van Simon Auke Bloemhof en Hinke Harmens Dijkstra. Jetske is overleden op 21 juli 1996 in Baarn, 82 jaar oud. Zij is begraven in Eastermar.

Uit het huwelijk worden vier kinderen geboren, te weten drie dochters en een zoon. Albert wordt, zoals het hoort, vernoemd naar zijn grootvader én naar Andries, de zeer jong overleden broer van Atze. Albert groeit op in Oostermeer en zit in 1912 op de Iepenbiere Skoalle. Als kleine jongen mocht hij graag op het ijs spelen. Echter, een keer zakte hij tijdens een strenge winter door het ijs en is door zijn beppe Lieske uit het water gered. Alleen zijn voeten staken nog boven het ijs uit. Na de lagere school gaat Albert naar de HBS te Drachten. Hij zat hiervoor dagelijks op de fiets. Zijn schoolperiode verloopt voorspoedig en in juli 1920 wordt hij naar de 3e klas van de R.H.B.S. te Drachten bevorderd (LC 15 juli 1920). Hij slaagt in juni 1924 voor de 5-jarige H.B.S. B te Drachten. Albert besluit na zijn middelbare school naar het buitenland te gaan, ondanks het feit dat zijn moeder liever had dat hij in Oostermeer bleef. Eerst wilde hij veehandelaar worden. zijn vader Atze raadde dat af, want daar zat volgens hem geen degelijke handel in. Atze wilde wel dat hij de handel zou in gaan. Albert heeft toen besloten de handel in te gaan.

Enerzijds hield de familie hem in Nederland maar anderzijds wilde hij de wijde wereld in, met name omdat de economische vooruitzichten in Friesland destijds minder gunstig waren. Reden voor Albert op avontuur uit te gaan. Met zijn H.B.S. besloot Albert voor de Rotterdamse firma Jacobson van de Berg & Co. Import en Export bedrijf te gaan werken. Dit bedrijf was een van de vier grote Nederlandse handelsondernemingen en had vestigingen door heel de Archipel en haar hoofdkantoor te Batavia. Zijn vader Atze wilde graag weten wat dit voor firma was en besloot eens een kijkje te gaan nemen in Rotterdam. Atze diende zich aan en vroeg een gesprek aan met de directie. Bij de firma waren ze hier zeer van onder de indruk. Kort daarna is Albert uitgezonden naar Nederlands-Indië.

Op 19 oktober 1927 vertrekt Albert met de S.S. Baloeran van Rotterdam naar Batavia en gaat hij daar aan de slag als employee. Na een aantal jaren wordt Albert firmant van de firma. Gedurende die tijd geniet hij volop van het vrijgezellenleven en bewoonde hij met een goede vriend een huis in Batavia. Als firmant van Jacobson van de Berg diende Albert het Archipel door te reizen. Hij bezocht per boot veel van de eilanden. Ook bezat hij zijn eigen renpaard genaam Waratah. Bovendien bezat hij een zeegaand kajuitjacht, genaamd de "Cornelia". Deze boot bezat hij overigens met een aantal vrienden. Met het renpaard deed hij mee aan harddraverijen. Omdat hij veel succes had met het paard, is getracht het paard te vergiftigen. Uiteindelijk is het paard noodgedwongen afgemaakt omdat het een gebroken poot had. In 1937 ontmoet hij in Batavia een dame genaamd Jetske Sybranda Bloemhof. Haar broer Auke en haar zusje Jouk zaten reeds in Nederlands-Indië. Auke was te Bindjey werkzaam als administrateur voor de Deli-mij.

De familie Bloemhof heeft een geschiedenis met tabak; Jetske haar vader bezat vele sigarenzaken door heel Nederland. Jetske was in Nederland al telefoniste en werkte in Batavia bij Jacobson van de Berg als secretaresse van Albert. Albert schreef veel over Jetske en moeder Aaltje snapte wel dat dit moest leiden tot een huwelijk. op 14 maart 1939 trouwt het stel in het stadhuis van Batavia. Zij woonden aan de Tjitjoeroeweg nr. 2 (thans Jalan Cicurug), in de wijk Menteng te Batavia. Menteng is de door de Nederlanders gestichte villawijk. De benaming is hetzelfde gebleven en is nu een onderdistrict in het moderne Jakarta. De wijk dateert uit de jaren dertig van 1900 en verkeert nog grotendeels in de oorspronkelijke staat. De wijk is volgens een Nederlands stedenbouwkundig ontwerp uitgevoerd. Dit houdt in dat er ruime (symmetrische) straten zijn, veel bomen langs deze straten, pleinen en plantsoenen. De hoofdstraten kennen een middenberm. Aangezien de bouwgrond toen al duur was zijn veel huizen uitgevoerd als twee verdiepingen met een puntdak. De gebouwen zijn allen witgeschilderd. Vlak achter het huis lag het Bandjir-kanaal en de spoorlijn richting Tjitjoeroeg. Aldaar woont het echtpaar ten tijde van de geboorte van de eerste dochter. Zij wordt vernoemd naar de moeder van Jetske, zij het in een aangepaste vorm, en de oma van Albert.

Albert is een sportman en vervent zeiler. Met zijn jacht “De Cornelia” neemt hij met enige regelmaat deel aan zeilwedstrijden. Uitslag 3 april 1939 zeilwedstrijden Engelsche Officieren. Klasse B: 1. Antoinette, stuurman De Bats, zeiltijd 1.48.26, verbeterde zeiltijd 1.48.26. 2. Bestevaer, stuurman Schepers, zeiltijd 2.02.41, verbeterde zeiltijd 1.56.22. 3. Cornelia, stuurman Bouwes, zeiltijd 2.00.58, verbeterde zeiltijd 2.00.58. 4 Melanie, stuurman Hut, zeiltijd 2.34.07, verbeterde zeiltijd 2.21.16. Klasse C I: 1. HatM, stuurman Bonnes, zeiltijd 1.46.09, verbeterde zeiltijd 1.46.09. 2. Sole Mio, stuurman Lehman, zeiltijd 1.55.53, verbeterde zeiltijd 1.46.13. 3. Astrid, stuurman Zartmann, zeiltijd 2.04.21, verbeterde zeiltijd 1.53.59. 4. Martha, stuurman Loman, zeiltijd 2.09.53, verbeterde zeiltijd 2.01.13. In juli 1939 wordt hij eerste met deze boot. “Met ruimen Wind op Edam.” Over bakboord zeilend gaat het nu met ruimen wind op Edam af en als de wind blijft waaien uit denzelfden hoek, zal ook het rak van Edam naar de Jachtclub weder bezeild zijn. De vier eerste schepen profiteeren hiervan, doch de Tala moet ondervinden dat de wind in den na-avond wat draaide en pal Zuid werd, waardoor van Edam moest worden opgekruist naar de haven. De Cornelia is het eerst thuis met een werkelijken zeiltijd van 5 uur 25 minuten en 20 seconden over een baan van 35 zeemijlen, hetgeen neerkomt op een behouden snelheid van meer dan 6 mijlen per uur. Nog nimmer tevoren was eenig jacht zoo vroeg weder terug van een langen baan-wedstrijd! Hiermede legde stuurman Bouwes beslag op den extraprijs voor het eerste binnenkomende jacht. Als tweede meldde de Piet Hein zich met stuurman Adriaanse en derde kwam de De Ruyter binnen. De Sole Mio had slechts eenige minuten meer noodig en na ruim 7 uur zeilen kwam ook de Tala behouden thuis. Na omrekening van de handicap blijkt dat de Sole Mio deze glansrijk heeft goedgemaakt en aanspraak maakt op den eersten prijs. Geen der anderen heeft de handicap op de Cornelia kunnen goedmaken en zoo wordt dit jacht dan ook verdiend tweede. De Piet Hein eindigt als derde en de De Ruyter als vierde, terwijl als laatste de Tala wordt genoteerd, doch niettemin moeten we den stuurman van het laatste jacht en zijn kranige bemanning gelukwenschen met hun prachtige prestatie om met een klein jacht een dergelijk resultaat te behalen. Dat echter van twaalf schepen er 7 moesten opgeven, de meeste wegens averij, pleit niet voor de zorgen die aan de jachten en de tuigage worden besteed. Stormen deed het nog lang niet en op een langen afstandwedstrijd dient toch zeker alles tot in de puntjes in orde te zijn. Het feit dat er in de baai van Batavia echter zelden een dusdanig harde wind waait, maakt de stuurlieden, c.g. eigenaren wat zorgeloos en de gevolgen blijven dan ook bij een wedstrijd zooals deze niét uit. Voor de jachten die de baan afzeilden, was het een pracht van een wedstrijd waarop allen die medegingen, met genoegen zullen terugzien. In Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië van 3 juli 1939 leest men dan: Twaalf jachten namen aan dezen wedstrijd deel en de uitslag werd: 1. Soie Mio, (Lehman) verbeterde zeiltijd 5.07.17 2. Cornelia, (Bouwes) 5.25.20 3. Piet Hein (Adriaanse) 5.33.09 4. De Ruyter, (Paauw) 5.45.04 5. Tala, (Jongelie) 6.09.11 De overige zeven jachten gaven op wegens averij of om andere reden. Ook op 9 oktober 1939 vindt er een zeilwedstrijd plaats georganiseerd door de K.B.J.C. te Tandjong Priok. Tijdens een van de wedstrijden gebeurde het volgende. In de zesmeter Klasse liep het bij den tweeden wedstrijd spaak, doordat van een van de jachten de mast overboord ging, op een ander jacht tot twee maal toe de fókkenvallen braken, en bij een derde jacht het grootzeilsval zich begaf. “In den derden wedstrijd gaf een van de jachten op en kwam in den vierdenen vijfden wedstrijd in het geheel niet meer uit. Het gevolg van een en ander was dat de tweede wedstrijd moest worden gecanceld en dat de laatste twee wedstrijden, werden gezeild met een incompleet team, wat te meer fnuikend was, wijl aan den laatsten wedstrijd de uitslag van de sweepstake was verbonden. Om in deze leemte te voorzien werd de hulp ingeroepen van een 75 kwadraatmeter-jacht; stuurman Bouwes was bereid met de „Cornelia" in den laatsten wedstrijd mede te zeilen om een redelijken uitslag van de sweepstake te verkrijgen. Voor deze sportieve daad verdienen stuurman Bouwes en zijn bemanning zeker lof. Als de finish wordt bereikt smaakt stuurman Adriaanse heit genoegen om de snelle ,JD& Riuyter" als eerste over de lijn te brengen en komt de „Piet Hein" met Den Breems als tweede binnen. Staverman met de „Frieda II" is derde en Deelder met „Navaho" vierde. Stuurman Bouwes bracht zijn 75 kwadraatmeter jacht vlak achter de „De Ruyter" bJnnen met nog geen minuut verschil, maar voor het uitmaken van den uitslag voor de sweepstake moest de geldende handicap worden in rekening gebracht, waardoor een pjaats naar onderen werd opgeschoven. Als de balans wordt opgemaakt, blijkt dat stuurman Adriaanse de meeste punten op. zijn naam heeft weten te brengen, hij wordt hiermede Kampioen 6 meter klasse voor seizoen 1939. Onze gelukwenschen.”

In Makassar wordt in 1941 het tweede kind geboren. Het is weer een dochter. Inmiddels is de tweede wereldoorlog uitgebroken en is de sfeer ook in Nederlandsch-Indië dreigend. In Nederlandsch-Indië had men verontwaardigd op de overval gereageerd. Het land was direct tot de geallieerden toegetreden. Duitse en Japanse burgers, spion of niet, werden geïnterneerd, evenals NSB'ers. Japan was echter in conflict geraakt met de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Een aantal gebeurtenissen, zoals de inbezitname van Frans Indo-China, overtuigden de Nederlandse politici dat ook Japan een gevaar vormde. Samen met de Verenigde Staten kondigde Nederlands-Indië een olieboycot tegen Japan af. Hierop besloot Japan tot een militaire campagne om eerst de Verenigde Staten militair te verlammen om vervolgens de gebieden in Zuidoost-Azië te bezetten. Na de aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 verklaarde Nederland op 8 december 1941 met alle overzeese gebiedsdelen Japan de oorlog. Albert dacht dat de situatie wel zou meevallen.

Inmiddels vetrokken veel gezinnen vanuit de Archipel terug naar Nederland maar Albert en Jetske bleven in Batavia. Albert had inmiddels een woning en enkele bezittingen dus zijn gedachtegang was logisch. Ze zijn echter wel gewaarschuwd geweest door de lokale bevolking en hun bediendes dat ze moesten vertrekken omdat ze anders opgepakt zouden worden. Dit werd echter geweigerd en ze besloten te blijven. De geallieerden trachtten inmiddels een ABCD-front (America, Britain, China, Dutch East-Indies) op te zetten, maar na Hongkong, de Filipijnen, Maleisië en Singapore viel Japan op 10 januari 1942 Nederlandsch-Indië binnen. Nederlands-Indië werd door een Japanse overmacht van circa 160.000 man binnen enkele weken veroverd. De strijd kostte enige duizenden doden, waaronder 2550 Nederlanders. Er braken moeilijke tijden aan. De Hollanders en een deel van de Indo’s werden van hun bezittingen beroofd. Medio 1942 neemt de internering van de `belanda-totok' een aanvang. Eerst worden vooraanstaande personen uit het bestuur en het economisch leven geïnterneerd, vervolgens zijn de Nederlandse mannen tussen de 17 en 60 jaar aan de beurt en tenslotte de vrouwen, kinderen en mannen boven de 60. In september 1943 is de internering van de Nederlandse gemeenschap op Java nagenoeg volledig en verblijven naar schatting 35.000 mannen, 25.000 vrouwen en 30.000 kinderen in van de buitenwereld afgesloten woonwijken, kloosters of scholen. De grote kampen op Java zijn Tjideng en Kramat in Batavia, Tjihapit in Bandoeng, en Banjoebiroe en Ambarawa in Midden-Java. Op Sumatra verbijven de geïnterneerden in kampen als Aik Pamienke en Bangkinang. KNIL-militairen en vele burgergevangenen werden afgevoerd naar verre landen zoals Japan, Malakka en Siam (Thailand) waar ze slavenarbeid moesten verrichten aan o.a. de beruchte Birmaspoorweg. Vrouwen, kinderen en een klein aantal mannen bleven achter in kampen in Nederlands-Indië, bijna allemaal op Java en Sumatra. Ondanks de waarschuwingen ten spijt is het gezin toch opgepakt.

Jetske heeft nog enkele foto's kunnen meenemen alsmede wat juwelen en andere spullen. Albert was nog altijd werkzaam bij Jacobson van den Berg. Hij moest van de Jap onder dreiging van een pistool de kluis openen. De Jap dacht dat de kluis vol met goud lag. Daags voor de inval van de Jap had Albert met de boekhouder de kluis geopend en daar het tafelzilver e.d. ingelegd. Hij was in elk geval op de hoogte van de combinatie van de kluis want anders had schrijver dezes dit verhaal niet kunnen opschrijven. Het grote geluk was overigens dat ze van de gehele boekhouding al kleine foto's hadden gemaakt. Na de oorlog konden ze eenvoudig de kredieten opeisen. De Chinezen kwamen al uit zichzelf hun schuld aflossen maar er waren er ook die dit niet deden. Dit is voor Jacoberg de redding geweest. Voorts waren de Jappen niet enkel bezig met de confiscatie van zakelijke goederen, ook de spullen van Albert en Jetske werd door de Jap/inheemsen gestolen. Het tafelzilver is nog begraven. Op een goed moment kwam de Baboe (Indische bediende) van Albert aangeslenterd; de Jap had hem kreupel geslagen omdat zij wilden weten van wie die boot was. De boot is uiteindelijk door de Jap naar de kelder geholpen. Vrij kort daarna is het gezin op transport gezet en geïnterneerd. Albert en Jetske werden gescheiden. Als een van de weinigen heeft Albert in een Japans burgerkamp gezeten en heeft hij geen dwangarbeid hoeven te verrichten.

Jetske zat in burgerkamp Ambarawa VI, samen met haar twee dochters. De oudste dochter was inmiddels 3 jaar oud en de jongste dochter nog net geen jaar oud. Jetske haar broer Auke was minder gelukkig. Auke is op transport gezet en heeft moeten werken aan de Birma Spoorlijn. Zijn vrouw Mea heeft samen met haar dochter, het nichtje van Jetske, ook in het kamp gezeten. Albert en Jetske hebben deze verschrikkelijke tijd zeer intensief meegemaakt. Mijn oudste tante weet zich te herinneren dat ze na de regen op zoek ging naar slakken om daar bouillon van te maken. Ook werd er iedere week in de barak van Jetske een razzia gehouden omdat er een kleptomane aanwezig was. Alles wat ze had gestolen werd dan weer teruggenomen.

Albert heeft wel eens verteld dat hij zijn leven heeft te danken aan een verpleegster uit een kamp die hem op de ziekenlijst heeft gezet omdat hij niet capabel was om te werken. Albert is vervolgens op transport gezet en waarschijnlijk naar het ziekenkamp Mater Dolorosa op West Java gebracht. Mater Dolorosa was een klooster dat begin 1945 werd ingericht als ziekenhuis voor zieken uit de mannenkampen in West-Java.

Jetske heeft in Ambarawa op de velden moeten werken en met het kleine beetje wat ze nog bezat moeten zien rond te komen. Dit hield in dat ze met de locale bevolking o.a. noodgedwongen juwelen moest ruilen tegen voedsel. Dit was een zeer gevaarlijke onderneming omdat hierop zware lijfstraffen stonden. Of Jetske ooit is gepakt is niet bekend; er werd simpelweg niet over gepraat. Vermoedelijk heeft ze zich rustig gehouden omdat ze nog een klein kind had dat door ondervoeding niet erg sterk was. Het verhaal gaat dat Jetske met de meegebrachte foto in het kamp bij een helderziende is geweest en haar heeft gevraagd of Albert nog leefde. Toen zij de foto toonde kon de helderziende direct aangeven wie op de foto de moeder van Jetske was. Jetske en haar moeder lijken overigens in het geheel niet op elkaar. De helderziende vertelde haar dat er in de plaats waar Hinke woonde voldoende voedsel was en dat zij wel wist dat het oorlog was, maar pas daadwerkelijk met de oorlog werd geconfronteerd als er bommenwerpers overvlogen. Voorts kon de helderziende vertellen dat Jetske haar man na de oorlog weer zou zien maar dat Albert ziek zou zijn. Op de vraag wanneer de oorlog was afgelopen kon de helderziende niet antwoorden.

De voorspelling van de helderziende bleek juist. Albert zat bij Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 in een kamp in Batavia. Jetske en kinderen zaten nog in het kamp Ambarawa VI op Java. Na de bevrijding heeft het gezin ook nog de problemen gekend die de Bersiap met zich meebracht. Pas op 4 december 1945 vertrokken ze met motorschip Egra vanaf Tandjong Priok (Batavia). Op 8 december 1945 kwamen ze met het ms Egra aan in Singapore alwaar ze werden ondergebracht in de barakken van het Irenekamp.

Mijn oudste tante herinnert zich vervoer met een catalina. Nadien zijn ze per boot naar Nederland gevaren. Dit moet begin 1946 geweest. Mijn oudste tante herinnert zich in elk geval een zeer strenge winter. Zij kregen in Singapore winterkleding van het Rode Kruis, waaronder een driekwart bontjas voor Jetske. In elk geval hebben Albert en Jetske elkaar na de oorlog hervonden en wordt er in augustus 1946 in Leeuwarden een derde dochter geboren. Na terugkomst in Nederland verblijft het gezin enige tijd bij Hinke in Leeuwarden. Albert is in elk geval zeer zwak want hij wordt de trap opgedragen. Later hebben ze verbleven op de Emmakade 3 te Leeuwarden bij de zus van Albert, Elisabeth. Nadien hebben ze een tijd verbleven op de Zuidergrachtswal nummer 14 te Leeuwarden bij de neef van Jetske, Sybe Douwes Cuperus. In 1947 is het paar terug naar Nederlands-Indië gegaan. Albert was nog altijd aan het werk voor Jacoberg en heeft daar gewerkt tot dat Soekarno aan de macht kwam.

In Batavia is het vierde kind en de enige zoon geboren, de vader van schrijver dezes. Opvallend is dat er bij de geboorteaankondiging van zowel het eerste als het laatste kind Tjitjoeroeweg 2 staat vermeld. Kennelijk heeft Albert na de oorlog zijn oude woning weer kunnen betrekken. De periode na de oorlog wordt gekenmerkt door het streven naar onafhankelijkheid. Op een goed moment zijn de Hollanders definitief het land uitgeknikkerd. Albert kon evenwel terug naar Indonesië (Soerabaja) ofwel naar Sao Paolo, Brazilië. Albert is uiteindelijk vertrokken naar Sao Paolo. Aldaar is hij onder andere werkzaam geweest als correspondent voor de N.V. Nederlandse Jaarbeurs te Utrecht. In de winter van 1954 komt de familie definitief naar Holland. Na aankomst woont het gezin eerst in Laren. Vanwege de economische omstandigheden was er weinig werk voorhanden. Zoals vele mannen destijds, is Albert dagelijks naar zijn werk gegaan, dat wil zeggen; in pak van huis vertrokken om te solliciteren. Dit heeft hij een jaar gedaan en is uiteindelijk voor Breda Bieren gaan werken. Daar is hij voor een paar maanden in Madagascar geweest.

Het gezin verhuist al gauw naar Baarn. De familie nam vanaf 1964 regelmatig kinderen op in huis die niet konden worden geplaatst op het internaat Louisa State. Albert en Jetske hebben tot aan hun dood in Baarn gewoond. Beiden zijn in Oostermeer begraven.


Laatste update: 5 juni 2011



© 2009-2011 www.bouwes.nl